ACM‑uitspraak ValleiEnergie-Liander: wachtlijst en congestieonderzoek

Asian female exclusive lawyer people legal advisor, legislation, legal contract documents

Op 23 december 2025 heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) uitspraak gedaan in een geschil tussen energiecoöperatie ValleiEnergie en netbeheerder Liander. De geschilprocedure bestond uit twee onderdelen, te weten over transportcapaciteit en een aanbetaling.

Op 22 februari 2024 dient ValleiEnergie bij Liander een aansluit- en transportverzoek in voor een zonproject te Ede. De gevraagde aansluitcapaciteit is 2 MVA. De gevraagde transportcapaciteit voor invoeding is 2 MW en voor afname is 10 kW. Liander heeft in reactie hierop aan ValleiEnergie aangegeven dat er geen transportcapaciteit beschikbaar is, zowel voor invoeding als voor afname. Liander legt daarbij uit dat de congestie zich voordoet op het net van TenneT.

Op 28 februari 2024 verstrekt Liander een aanbieding voor de gevraagde aansluiting. Ook doet Liander op dat moment een aanbieding voor transportcapaciteit, waarin het gecontracteerd transportvermogen door Liander voor zowel invoeding als afname op 0 kW wordt vastgesteld. Bij de aanbieding voor transport van 28 februari 2024 staat vermeld dat ValleiEnergie op de wachtlijst komt te staan voor het transportvermogen dat zij wel heeft aangevraagd maar dat Liander nog niet kan aanbieden. Deze plaats op de wachtlijst houdt Liander tot dertig dagen na dagtekening van de aanbieding voor ValleiEnergie beschikbaar. Indien Liander het opdrachtformulier en de ATO niet binnen deze periode volledig ingevuld en ondertekend retour hebben ontvangen, vervalt de plaats van ValleiEnergie op de wachtlijst. ValleiEnergie stuurt op 25 maart 2024 de ondertekende aansluit- en transportovereenkomst (hierna: ATO) aan Liander en geeft tevens de opdracht tot het realiseren van de aansluiting. Op het opdrachtformulier staat vermeld dat Liander 20% van de totaalsom direct na deze schriftelijke opdracht zal factureren. ValleiEnergie zegt de aanbetaling te hebben verricht.

Op 25 oktober 2024 trekt ValleiEnergie de opdracht voor het realiseren van de aansluiting in en verzoekt zij om een creditnota voor de aanbetaling. Liander geeft op 28 oktober 2024 per mail aan dat ValleiEnergie daarmee ook haar plaats op de wachtrij opgeeft, omdat er zonder aansluiting geen transportrecht kan worden toegekend. Op 29 oktober 2024 bevestigt ValleiEnergie de beslissing om de opdracht voor de realisatie van de aansluiting in te trekken.

ValleiEnergie stelt dat Liander onterecht het betalen van (een deel van) het aansluittarief als voorwaarde stelt om op de wachtlijst voor transportcapaciteit te worden geplaatst. Daarnaast stelt ValleiEnergie dat Liander ten onrechte haar verzoek om het doen van een aanbod voor transport voor invoeding heeft geweigerd.

A. Plek op de wachtlijst en het doen van een aanbetaling

De ACM concludeert dat Liander niet in strijd met artikel 24 en artikel 28, eerste lid, van de Elektriciteitswet heeft gehandeld door een plek op de wachtlijst voor transportcapaciteit afhankelijk te maken van een verleende opdracht voor het realiseren van een aansluiting en het doen van aanbetaling hiervoor. De ACM stelt vast dat transport van elektriciteit over het net zonder een aansluiting op dat net feitelijk onmogelijk is. Op basis van het bovenstaande concludeert de ACM dat de samenhang tussen het realiseren van de aansluiting en de plaatsing op de wachtlijst die Liander hanteert logisch is. De ACM vindt het niet onredelijk dat de netbeheerder partijen die om een aansluiting verzoeken een deel van het bedrag al na acceptatie van de offerte laat betalen. Dit is een normale situatie in het handelsverkeer. De klacht wordt op dit punt ongegrond verklaard.

B. Beoordeling beschikbare transportcapaciteit

Liander heeft het verzoek van ValleiEnergie om transportcapaciteit geweigerd in verband met invoedingscongestie op het hoogspanningsnet van TenneT in Gelderland.

De ACM oordeelt dat Liander onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid om de door ValleiEnergie gevraagde en de beschikbare transportcapaciteit met elkaar in overeenstemming te brengen. In het bijzonder had Liander nader moeten onderzoeken of dit had gekund met de toepassing van congestiemanagement. Daarnaast oordeelt de ACM dat Liander de weigering van het transportverzoek van ValleiEnergie onvoldoende met redenen heeft omkleed. Hieruit volgt dat Liander niet heeft voldaan aan de eisen die artikel 24, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 9.6, eerste, derde en vierde lid, van de Netcode elektriciteit stellen aan een weigering voor het uitvoeren van transport. Liander kan een verzoek om transportcapaciteit alleen weigeren als er na onderzoek onvoldoende mogelijkheid blijkt te zijn om de gevraagde en de beschikbare transportcapaciteit met elkaar in overeenstemming te brengen. Dit volgt uit artikel 9.6, eerste en derde lid, van de Netcode. Een van de elementen uit het onderzoek van artikel 9.6, eerste lid, van de Netcode, betreft het onderzoek naar de mogelijkheid van de toepassing van congestiemanagement om de gevraagde en de beschikbare transportcapaciteit met elkaar in overeenstemming te brengen. In die hoedanigheid had Liander tot het bereiken van de financiële of technische grens samen met TenneT de mogelijkheid moeten verkennen om met ValleiEnergie een capaciteitsbeperkingsproduct overeen te komen.

Naar het oordeel van de ACM vormt het uitvoeren van een volledig onderzoek een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen komen tot een voldoende gemotiveerde afwijzing. Hieruit volgt dat de weigering onvoldoende met redenen is omkleed en daarmee niet voldoet aan het motiveringsvereiste dat artikel 24, tweede lid, van de Elektriciteitswet en artikel 9.6, vierde lid, van de Netcode aan een weigering stelt. De klacht over het tweede onderdeel wordt gegrond verklaard.

Noot naar aanleiding van de uitspraak

Ad A.

Het lijkt juist dat Liander als netbeheerder een plek op de wachtlijst voor transportcapaciteit afhankelijk maakt van een verleende opdracht voor het realiseren van een aansluiting. Aansluiting en transport zijn ook nauw met elkaar verbonden. Aan een aansluiting heb je feitelijk ook niets als er geen transport over die aansluiting kan plaatsvinden. Dat een netbeheerder een aanbetaling verlangt, na het ondertekenen van de offerte, is in basis niet onredelijk. In het oog spring de motivering van ACM onder randnummer 47, inhoudende dat ACM het niet onredelijk vindt dat de netbeheerder partijen die om een aansluiting verzoeken een deel van het bedrag al na acceptatie van de offerte laat betalen en dat dit is een normale situatie is in het handelsverkeer. Met name die laatste toevoeging doet de wenkbrauwen fronsen.

De relatie tussen een netbeheerder en partijen die om een aansluiting verzoeken laat zich weinig vergelijken met het ‘normale handelsverkeer’. Het is de netbeheerder als monopolist die bepaalt wanneer iemand aan de beurt is voor transportcapaciteit en het komt geregeld voor dat verzoeken om transportcapaciteit ten onrechte worden afgewezen, zoals ook in deze kwestie. Hierdoor worden partijen die om een aansluiting verzoeken ten onrechte geconfronteerd met wachttijden van meerdere jaren, terwijl al wel na acceptatie van offerte 20% aanbetaald moet worden en dat is niet redelijk. Het ‘normale handelsverkeer’ lijkt mij meer van toepassing op een marktsituatie met een volledige mededinging van partijen. Om partijen die verzoeken om een aansluiting en transport meer zekerheid en grip te geven over doorlooptermijn zou het redelijker zijn om te kiezen voor een ander systeem. Bijvoorbeeld een laag percentage na acceptatie van de offerte en groter percentage 10 weken voor de oplevering van de aansluiting en de beschikbaarstelling van het transportrecht. Dat geeft ook de netbeheerder meer stimulans om voortvarender te werk te gaan.

Ad B.

Liander heeft verder ten onrechte het verzoek om transport afgewezen met de verwijzing naar de congestieproblematiek ‘op het bovengelegen net van TenneT’. Deze motivering van een regionale netbeheerder komt regelmatig voorbij in de praktijk en is volstrekt onvoldoende. Een afwijzing voor transport heeft voor een aangeslotene grote gevolgen. Het is van groot belang dat een netbeheerder goed gemotiveerd weergeeft waarom geen transportruimte voorhanden is. Dat belang zit hem er ook in dat de andere partij, de aangeslotene (bijvoorbeeld een industrieel bedrijf) voortdurend afwegingen maakt voor de toekomst als het gaat om groei van de onderneming, investeringen, kostenbesparingen, verduurzaming, innovatie etc. Daarbij past niet een ongemotiveerd antwoord van een netbeheerder dat door congestieproblemen ‘op het bovengelegen net van TenneT’ extra transportruimte niet voorhanden is. Dus hoe beter een afwijzing om transport is gemotiveerd, een aangeslotene dit eerder zal accepteren en andere keuzes zal moeten gaan maken.

Het is al enige tijd zo dat op grond van artikel 9.6 Netcode de netbeheerder bij het verzoek om transportcapaciteit uit zichzelf moet onderzoeken of de gewenste transportcapaciteit in overeenstemming kan worden gebracht met de beschikbare capaciteit. Bij een congestiesituatie moet de netbeheerder dit onderzoeken. Een aangeslotene moet hier niet om hoeven vragen. In de praktijk maken we nauwelijks mee dat een netbeheerder hier serieus werk van maakt en hier zelf mee komt, met als gevolg dat vermoedelijk diverse verzoeken om transport ten onrechte worden afgewezen.

Tot slot
Voor de volledigheid wordt hier nog vermeld dat de uitspraak van ACM in de zaak ValleiEnergie en Liander nog valt onder het regime van de Elektriciteitswet. Vanaf 1 januari 2026 geldt de nieuwe Energiewet. Of de wetswijziging tot veel verschillen zal leiden ten aanzien van de beoordeling van de congestieproblematiek, zullen we in een later stadium verder uitwerken.

10 februari 2026
Hans Koenders